Raad van beheer

Het schoolbestuur draagt er zorg voor dat de functies van bestuur en intern toezicht op het bestuur gescheiden zijn (artikel 17b WPO, artikel 28 WEC en artikel 24eWVO).
Een functionele scheiding van bestuur en intern toezicht houdt in dat er n orgaan is waarin personen zitten met een toezichtfunctie en (andere) personen met een bestuursfunctie.
Bij het Raad van Beheer model is sprake van scheiding van bestuur en toezicht. De Raad van Beheer bestaat dan uit vrijwillige bestuurders (de interne toezichthoudende bestuurders) en de bezoldigde uitvoerende bestuurders (de bestuursdirectie).
 
Er moet uitdrukkelijk en statutair onderscheid worden gemaakt tussen de taken en bevoegdheden van enerzijds de toezichthoudende bestuurders en anderzijds de uitvoerende bestuurders. De toezichthoudende bestuurders voeren geen taken uit die in de statuten aan de uitvoerend bestuurders zijn toebedeeld.
Alle leden vormen tezamen het stichtingsbestuur, waarin het dagelijks bestuur (de bestuursdirectie) fungeert als schoolbestuur en de toezichthouders fungeren als intern toezichtorgaan.
De eindverantwoordelijkheid blijft bij de Raad van Beheer waarbij de bestuursbevoegd-heden zijn gemandateerd aan de bezoldigde uitvoerende bestuurders.
 
  

I. Samenstelling

1.      Bij de samenstelling van de Raad van Beheer wordt gelet op diverse taken en bevoegdheden zoals vastgelegd in de statuten, alsmede op voldoende spreiding van deskundigheid en maatschappelijke achtergrond van de leden in het licht van de grondslag en doelstelling van de stichting.

2.      De leden van de Raad van Beheer dienen het doel en de grondslag van de Stichting te onderschrijven en in hun verdere maatschappelijk handelen zich bewust te zijn van hun voorbeeldfunctie voor de gehele Stichting en de van haar uitgaande scholen.

3.      Toezichthoudende bestuursleden van de Raad van Beheer mogen niet in dienst zijn van de Stichting noch middellijk of onmiddellijk deelnemen aan leveringen of aannemingen ten behoeve van de Stichting.

4.      De toezichthoudende bestuursleden moeten altijd in de meerderheid zijn ten opzichte van de uitvoerende bestuurders. De uitvoerende bestuurders tezamen kunnen niet meer stemmen uitbrengen dan de toezichthoudende bestuurders tezamen.

5.      De Raad van Beheer kan bij vervulling van een vacature tot een nadere detaillering van vereiste kwaliteiten en eigenschappen besluiten.

6.      De Raad van Beheer kent als leden met een bijzondere functie: een voorzitter en een vice-voorzitter. De voorzitter wordt in functie benoemd.

7.      De Raad van Beheer gaat niet over tot (her-)benoeming van een toezichthoudend bestuurder dan nadat met betrokkene een gesprek is gevoerd door de voorzitter. In dat gesprek wordt met name aan de orde gesteld de te verwachten bijdrage van betrokkene aan het werk van de Raad.

8.      En toezichthoudend bestuurder wordt benoemd na overleg met de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR) met inachtneming van de profielschets.


 

II. Individuele eisen

1.      De toezichthoudende leden van de Raad van Beheer zijn in staat integraal toezicht uit te oefenen aan de hand van de taakstelling van de bestuursdirectie.

2.      De toezichthoudende leden zijn in staat op het niveau van de bestuursdirectie te fungeren als sparringpartners in discussies over vraagstukken waarvoor de bestuursdirectie staat.

3.      De toezichthoudende leden zijn in staat om

a.     afstandelijkheid en betrokkenheid te combineren;
b.     beoordelen/controleren te combineren met adviseren/stimuleren;
c.     het organisatiebelang te behartigen met oog voor het algemeen maatschappelijke 
      belang;
d.     besluitvaardig te handelen;
e.     te werken met globale informatie en om zich op hoofdlijnen een oordeel te vormen over de aan hen voorgelegde aangelegenheden;
f.      ontwikkelingen in het onderwijs, de onderwijspolitiek en de maatschappij zelfstandig te volgen;
g.     door de informatie heen te kijken en organisatorische spanningen te herkennen;
h.     hun eigen en gezamenlijk functioneren jaarlijks te (laten) evalueren;
i.      in voldoende mate tijd en energie te kunnen besteden aan het voorbereiden en bijwonen van de vergaderingen en voor eventuele overige taken;
j.      hun netwerk aan te wenden voor de ondersteuning van de bestuursdirectie en de Stichting.
 
 

III. Voorzitter

De voorzitter van de stichting maakt te allen tijde deel uit van de toezichthouders.
Van de voorzitter worden, onverminderd de hiervoor genoemde elementen uit de profielschets, specifieke eigenschappen en kwaliteiten verwacht. In het bijzonder dient hij:
a.      het vermogen te hebben om met autoriteit en gezag de voorzittersfunctie in het bestuur te vervullen;
b.      over de persoonlijkheid en achtergrond te beschikken om een leidende rol te vervullen bij de menings- en besluitvorming van de Raad van Beheer;
c.      over inzicht en overzicht te beschikken ten aanzien van de taak en functie van de Raad van Beheer en die van de bestuursdirecteur, bestuursdirectie;
d.      over zodanige eigenschappen en uitstraling te beschikken dat hij zo nodig extern een rol in het belang van de Stichting kan vervullen en daartoe ook zijn netwerk kan benutten.
 
 

IV. Uitgangspunten profiel

Het bestuur bevordert diversiteit die recht doet aan de pluriformiteit in de samenleving. In dat kader streeft het bestuur een evenwichtige verdeling na van onder andere:
a.      vrouwen en mannen;
b.      leeftijd;
c.      maatschappelijke achtergronden.
 
 
 

V. Onverenigbare betrekkingen

Om de onafhankelijkheid van de toezichthouders van de Raad van Beheer te waarboren en te voorkomen dat er sprake kan zijn van tegenstrijdige belangen is het niet wenselijk dat wordt benoemd:
a.    een gemeenteraadslid, een wethouder of een beleidsambtenaar, die in de gemeente
       werkt waar scholen van onze stichting zijn gevestigd;
b.    een lid van de (G)MR,
c.    De toezichthouders moeten onafhankelijk zijn ten opzicht van de uitvoerende
       bestuurders.
 
 
VI. Zittingstermijn
1.    Niet-uitvoerend bestuurders worden benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar en kunnen eenmaal worden herbenoemd, tenzij het bestuur in bijzondere situaties een tweede herbenoeming geraden acht;
2.    Het bestuur stelt een rooster vast dat voorziet in periodiek aftreden van de niet-uitvoerend bestuurders;